is toegevoegd aan uw favorieten.

De stadhouders van Friesland uit het Huis van Nassau

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WILLEM LODEWIJK.

De Stadhouder kwam nog voor een andere moeilijkheid te staan, gevolg van de eerste. Een groote partij was er in Friesland, die het met leede oogen aanzag, dat de Stadhouder op zulk een goeden voet met Maurits en Oldenbarneveld stond en door hem niet een uitsluitend Friesche, maar een Nederlandsche politiek werd gevoerd. Zij begreep niet, dat dit Friesland evenwel ten goede moest komen. Zij vreesde voor de onafhankelijkheid van het gewest en vond in Karei Roorda een ijverig bondgenoot en machtig woordvoerder.

Roorda behoorde tot een geslacht, dat voor de vrijheid goed en bloed veil had gehad. Hij zelf had het verbond der edelen mede onderteekend, als balling jaren lang in Frankrijk en Duitschland gezworven en muntte uit door bekwaamheid en groote geleerdheid, zooals o. a. uit zijn „Rudimenta religionis christianae" blijkt.

Toen op dringend verlangen van Willem Lodewijk de oorlog niet langer alleen defensief, maar ook offensief werd gevoerd en de schitterende wapenfeiten van 1591 en '92 toonden, hoe grooten dienst hij het land daardoor bewees, steeg de invloed van den Stadhouder en werden nieuwe lauwerkransen om zijne slapen gevlochten. Op Roorda en de zijnen had dit echter een tegenovergestelde uitwerking, daar zij meenden, dat de vrijheid in gevaar zou worden gebracht, wanneer de daden van den Stadhouder zoo geprezen werden. Zij gingen zelfs zoo ver, hem schandelijke eerzucht te verwijten, hem te beschuldigen als een tiran te willen heerschen en zijne eerlijkheid in verdenking te brengen.

Dit nu was den anders zoo lankmoedigen Graaf