is toegevoegd aan uw favorieten.

De stadhouders van Friesland uit het Huis van Nassau

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WILLEM LODEWIJK.

heid op een spoedige overgave bood. Vele ingezetenen zouden zich gaarne bij de Vereenigde Nederlanden aansluiten; andere, waaronder de stadsregeering, wilden daarvan niets hooren, niet zoozeer uit liefde tot Spanje, als uit haat tegen de Ommelanden en trouw aan het Roomsche geloof; weder andere wilden zich voegen bij Oost-Friesland of zich onder Brunswijk stellen.

Terwijl de Spaansche partij in de stadsregeering reikhalzend, doch te vergeefs, naar hulp van Brussel uitzag, vielen de bommen en gloeiende kogels in de stad om den burgers schrik aan te jagen en naderden de loopgraven, die arbeid van „mineren en sapperen", al dichter den muur. Onder een aanhoudend kanonvuur, om des te beter het mijnwerk verborgen te houden, was eindelijk het ravelijn aan de Oosterpoort gereed gekomen. Met een vreeselijke ontploffing, welke de stad tot in hare grondvesten schudden deed, werd deze loopgraaf uiteen geslagen, met het gevolg, dat honderd vijftig verdedigers er onder bedolven werden.

De moed ontzonk den belegerden; de stad trad met de beide stadhouders in onderhandeling en ging den 24en Juli, na twee maanden dapperen tegenstand geboden te hebben, aan de Staten over. Wegens hare bijzondere verhouding tot de Ommelanden werd zij, met behoud van al hare privilegiën, als zelfstandig lid, opnieuw in de Unie opgenomen. Men spreekt daarom nooit van de capitulatie, maar wel van de reductie van Groningen.

„Alleen vond men het noodig de stad, wegens hare hardnekkigheid en de nog steeds onbesliste geschillen met de Ommelanden, jn eene tijdelijke voogdij te

De Stadhouders van Friesland 3