is toegevoegd aan uw favorieten.

De stadhouders van Friesland uit het Huis van Nassau

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WII.LEM LODEWIJK.

Spanje, den strijd voor de waarheid Gods. Zijn huiselijk geluk mocht verwoest wezen, zijn verder leven eenzaam zijn, hij wist te doen wat zijn plicht gebood. Dat niet alleen; niettegenstaande de vele beslommeringen van staatszaken en veldtochten, vond hij den tijd zijne eigene studiën voort te zetten en zich bovendien met de opvoeding van twee zijner jongere broeders te belasten.

Zijn vader, graaf Jan van Nassau, had een groot gezin en, zouden wij zeggen, er kwam heel wat kijken, eer ieder tot zijn recht kwam. In Dillenburg konden de jeugdige graven niet blijven en de graaf wilde ze niet naar een Duitsche universiteit zenden, wijl de dronkenschap, de verkwisting, in één woord, het losbandige leven van den Duitschen adel hem daartoe geen vrijmoedigheid gaven. Was er toen een oogenblik aan gedacht ze naar Engeland te zenden, dit sprong af, omdat de graaf niet van de „mores" der Engelsche edellieden hield. Leiden, ja, dat zou heerlijk wezen, edoch werd om de kosten gelaten. Eindelijk hakte Willem Lodewijk den knoop door en schreef aan zijn vader: „Hoewel het leven hier zeer duur is en mijne hofhouding mij zwaar valt, zoo zijn toch mijne jonge broeders en hunne goede opvoeding, waarvan hun heil afhangt, mij zoo dierbaar, dat ik met al mijn hart de zorg voor hen op mij nemen wil. In dat geval zal Uwe Genade de goedheid hebben hun een bekwaam onderwijzer te geven en voor diens bezoldiging en voor de kleeding mijner broeders willen zorgen. Voor het overige zal ik zorg dragen; ik zal zelf het oog houden op hun lezen en studeeren, waarin ik mijzelven zooveel oefen, als ik gelegenheid heb. Ook zal ik hen meenemen naar het veld, zoo