is toegevoegd aan je favorieten.

De stadhouders van Friesland uit het Huis van Nassau

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WILLEM FREDERIK.

Oranje gebeden; vroeger deed men het voor den Stadhouder alleen.

Gaarne zou deze hebben gezien, dat de „vilaine acte van Seclusie" ingetrokken werd; het zoude een loflijk en prijselijk werk zijn. „Ik hoop", zeide hij, „dat het zal geschieden en God zijn zegen zal geven tot een goed succes en uitslag. Het zou den regenten groote lof en eere wezen en de gemeente zeer aangenaam verheugen".

Hieraan was geen denken. Integendeel — hoe groot de tegenstand ook wezen mocht, welke „glossen en additiën, als in dergelijke gelegenheden gebruikelijk is", er ook werden gemaakt, De Witt. handhaafde de absolute souvereiniteit van Holland tegenover de andere gewesten, tegenover de Unie, tegenover den stadhouder van Friesland.

Bekoort door niemants gunst, verschrikt door niemants haet,

Stack hij door zijn beleit de zwaarden in de scheede,

En hielp de zee en 't lant aan den gewenschten vrede.

Willem Frederik kon de plannen van den raadpensionaris tegenwerken en daardoor diens positie verzwakken, hij vond — verondersteld dat zijne bekwaamheid tegen die van De Witt opwoog — niet genoeg steun en medewerking, zelfs van de vrienden, om de partij van Oranje, om de monarchale beginselen te doen zegevieren.

Vooral de weduwe van Frederik Hendrik, Amalia van Solms, wantrouwde ook na zijn huwelijk met Albertine Agnes, de goede bedoelingen van den Frieschen Stadhouder. De vrees, dat deze haar kleinzoon trachtte te verdringen, speelde haar daarbij zeker parten, een vrees die levendig werd gehouden