is toegevoegd aan uw favorieten.

De stadhouders van Friesland uit het Huis van Nassau

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HENDRIK CASIMIR II.

Met raad en daad stond de heer Vegelin van Claerbergen zijn jongen meester ter zijde, tevens er voor wakende, dat hij in het ruwe krijgsmansleven zijn pad rein hield. „Ick hebbe Mijnheere den Prins", schrijft hij aan diens moeder, „seer ijverig vermaant, om sich van quaade compagnie afte houden, niet te drinken, veel min te sweeren mort Dieu, je renie Dieu, en diergelycken quade manieren meer, seyde hem dat een goed vriend, die ick niet openbaeren wilde, mij sulks geopenbaert hadde, als de prince maer de voetstappen van syn Hoochheyt wilde imiteeren, dann soude hij geluckig wesen. Syn Hoocheyt is vigilant, sober, vraegt van wyse luyden raad, en volgt die nae, is een groot soldaat, en groot oeconome, speelt noch vloeckt niet, is seer laborieux en arbeidsaem. Als onsen prins maer wat lesen wil, ik will hem weres genoeg geven", enz.

Dat volgen van de voetstappen van den Prins van Oranje, had echter voor Hendrik Casimir heel wat in, terwijl het voortdurend samenzijn in het leger gedurende eenigen tijd van deze 'jonge mannen van zoo uiteenloopende, verschillend gevormde karakters er niet toe bij droeg om de wederzijdsche verhouding beter te doen worden.

Van zijn prille jeugd af was Willem III aan zijn zes jaar jongeren neef ten voorbeeld gesteld, en zoo telkens en telkens weer diens oordeel over zijne geringe vorderingen hem voorgehouden, dat de zoon van Albertine Agnes wel vrees, maar geen liefde voor Oranje had.

Angstvallig dat deze hem aan macht en invloed te kort zou willen doen, verleidde kwalijk bestuurde eerzucht hem tot minder prijselijke daden en maakte