is toegevoegd aan je favorieten.

De stadhouders van Friesland uit het Huis van Nassau

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAN WILLEM FRISO.

in het schermen uitmuntte en een der beste ruiters

van zijn tijd werd.

Nauwelijks was de ouderdom van zeven jaar bereikt en daarmede het tijdperk geëindigd, waarvan de lierzang van Van Haren zoo aandoenlijk getuigt.

O dierbaar perk van drie tot zeven jaren,

Als ieder voorwerp 't oog bekoort, het harte streelt,

Och of ze zonder einde waren,

Als alles lacht, als alles speelt!

of strenge meesters zouden Friso leeren en zijne jeugdige schreden op de banen der wetenschap voeren.

Joh. Lemonon, hoogleeraar en predikant te Franeker, Franschman van geboorte, maar in Duitschland en Polen tot godgeleerde gevormd, werd door Hendrik Casimir II belast met het onderricht in talen, geschiedenis en aardrijkskunde. Zes jaren lang vervulde Lemonon deze gewichtige taak. Toen werd de Prins rijp geoordeeld om naar de hoogeschool van Franeker te vertrekken, werwaarts zijn leermeester hem wei vergezelde, maar toch een gedeelte van zijn veelomvattenden arbeid aan andere handen zag toevertrouwd. Professor Fullenius, doctor in de rechten en sedert 1684 hoogleeraar in de wiskunde aan de Franeker hoogeschool, werd zijn onderwijzer in de wis- en vestingbouwkunde, terwijl zijn ambtgenoot Coetier het verdere onderricht der talen, inzonderheid het Latijn op zich nam, en in de eerste plaats de werken van Caesar behandelen zou. David van Hoogstraten, prorector van de Latijnsche school te Amsterdam, bezorgde, hoofdzakelijk ten gebruike van den Prins, eene uitgave van de Fabelen van Aesopus naar Phaedrus.