is toegevoegd aan uw favorieten.

Jeugd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en dan een buitje van fijne druppels afregende van de takken; toen naar huis langs den straatweg onder de kale beuken.

Leida ging met Guust mee; toen ze de voorkamer binnenkwamen, gonsde hun ineens druk stemmenrumoer tegemoet: daar zaten de Fooi, de postdirecteur met zijn dochter, en van Geens met zijn vrouw en Nelly. Guust en Leida schrikten, maar ze moesten toch binnengaan.

„Hé, 't jonge paar!" riep Louize de Fooi, kwam hun druk tegemoet, begroette hen met iets spottends in haar oogen.

„Zoo Leida," zei mevrouw van Geens, „prettig gewandeld? Nou, je ziet er best uit."

Geen wonder," viel van Geens in, en tegen Guust: „Ja, ja, die heeren kunstenaars hebben 't maar makkelijk: zoo vrij als een vogeltje. Als ze zin hebben naar hun meisje te gaan, dan gaan ze: da 's me 'n leventje!"

„Nietwaar meneer?" zei Leida. „We hebben heerlijk gewandeld."

Ze ging zitten naast Nelly; ze voelde al die oogen op haar en Guust als een beklemming, maar ze wou zich er nu niet door neer laten drukken, en ze begon druk te praten, met een kleur van zenuwachtigheid. O, dat die menschen den middag nu weer zoo bedierven ; ze had zoo gedacht nog kalm een uurtje met Guust te zijn, en nu ging dat weer niet. Maar ze wou haar teleurstelling niet toonen, ze wou heel vroolijk zijn, niet er op letten, dat Louize de Fooi haar telkens uitlachte.