is toegevoegd aan uw favorieten.

Jeugd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij liet zich verzorgen, heerlijk zich koesterend in die lieve teederheid, altijd met genot kijkend naar haar kleine beweginkjes, telkens even haar vasthoudend. Ging ze maar niet weer weg; hoefde hij maar niet weer alleen te zijn met 't opschrikkend gesnerp van juffrouw Gerrits' stem.

Maar Leida beloofde gauw weer terug te komen, en hem eiken dag te schrijven; ze kuste hem lang, lag even met haar hoofd op 't kussen naast 't zijne; heel haar doen was zachte teederheid, lief-moederlijk.

Er was een plan in haar opgekomen, dat ze uitdacht onder 't naar huis gaan, met de sterkte van voorstelling waarmee ze zich altijd plannen kon verbeelden. Ze zou naar Waanders gaan en hem vragen Guust te helpen met geld. Hij kon zoo niet blijven leven, hij zou ten onder gaan. Ze wist wel, dat de oude man boos zou worden, heel driftig misschien, maar ze zou zich niet laten terugschrikken; ze zou niet bang voor hem zijn, maar flink zeggen, dat Guust geholpen moest worden. Ze zou hem smeeken desnoods; ze wist elk woord dat ze zeggen zou, ze hoorde zijn antwoorden, ze zag zichzelf moedig, volhoudend tot ze 't gewonnen had.

Ze ging denzelfden avond. Waanders zat in de tuinkamer voor 't raam de courant te lezen bij 't laatste daglicht, Willemien voor 't theeblad, aan een sprei hakend, grof werk, waar ze niet veel licht voor noodig had. Er hing over hen beiden iets van de saaiheid van hun alledag-leven; de schemering leek hier niet intiem maar grauw-vervelend.