is toegevoegd aan uw favorieten.

Jeugd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hunne lichaamsbehoeften te kunnen voldoen; en daar boven uit, subliem, de zoon, voor wie het werken, het zwoegen, wijding kreeg door den wil om zijn ouders te redden, het ideaal, dat hem droeg, dat hem kracht gaf, hem, den fijner bewerktuigde, om 't dagelijksche sleurleven te dragen. En de tragedie van dien held, niet kunnend opworstelen tegen den stroom, zinkend, bezwijkend eindelijk, moe van den strijd, gebroken, wegvluchtend uit het leven, dat hem zijn ideaal had ontnomen. En de dochter, lief-opbloeiende jeugd, vroeg bedorven, vergiftigd door het reuzenmonster, ae groote stad, waartegen ze geen wapens had van geld.

Ja geld, dat was 't eenige wapen, waarmee te strijden viel, 't eenige dat nooit faalde, maar 't was een afschuwelijk wapen, want wie het voerde werd er door omlaag getrokken, onvermijdelijk; 't bezoedelde overwinnaar en overwonnene. Guust kende nu zoo goed dien doodsvijand, den onoverwinbare, hijzelf moest tegen hem vechten eiken dag, zijn eigen levensgeluk lag in handen van dat monster, dat geen medelijden kent.

Overal zag hij 't heerschen: op de beurs, in de groote, deftige koopmanshuizen langs de heerlijk-mooie grachten, in de stijf-nette, leelijke, naargeestige nieuwe buurten en in de diepte van stegen, sloppen en krotten.

Toch was zijn boek geen direkte aanklacht tegen den vijand, 't was meer een somber zich buigen voor zijn macht. Maar toch, uit de tragedie van die levens, bedorven, gedrukt door de geldmacht, klonk vanzelf een aanklacht op, een schreiende, wilde vervloeking van het monster.