is toegevoegd aan uw favorieten.

Jeugd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat kan me wel schelen, 't zou me groot verdriet doen, maar daarom kan ik toch m'n overtuiging —

„Overtuiging, overtuiging, wat overtuiging! Raaskallen], niks anders, maar goed, vergaap jij je der maar an en laat mij stikken!"

Guust zweeg, zoekend naar woorden. Wat moest hij zeggen tegenover die drift, waar hij t leed onder hoorde van zijn vader? Hij stak zijn hand uit, maar de oude man keerde zich driftig om. „Nee, laat me maar, 'k heb niks meer met je te maken! Ga jij je eigen weg, maar kom hier dan ook niet meer, doe niet, of je nog wat om me geeft. Ik kan ten minste je bezoeken missen."

„Dat meent u toch niet!"

„Dat meen 'k wel; 'k heb niks meer met je te maken, meneer de socialist."

„Och, u bent nou driftig, laat me u later alles uitleggen!"

„Da's niet noodig, dat verlang 'k niet. Jij houdt er 'n overtuiging op na; nou, ik heb de mijne en die is, dat 'k zoo ver mogelijk van alle raaskallerij weg moet blijven. Ga nou weg, ga weg!"

Hij legde een hatelijken nadruk op de laatste woorden. Guust ging, verdrietig, neerslachtig, omdat hij niets had kunnen zeggen, om ten minste 't leed van zijn vader te verzachten. Want hij begreep, dat dat leed héél diep moest zijn, maar hij kon 't niet wegnemen, hij kon niet, hij kon niet. O, dat altijd alle geluk betaald moest worden met leed: dat was wel de vloek op deze maatschappij, de vloek, waar latere