is toegevoegd aan uw favorieten.

Jeugd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen hij opstond, laat in den morgen, was zijn hoofd helder; hij verlangde naar Leida te komen om met haatte praten.

De vorige dag lag nu in zijn herinnering als iets duister-vreemds, vooral de avond met zijn vreemde als dronken loopen door de lichte stad en dat meegaan met die vrouw. Hij wist niet eens meer goed hoe ze er had uitgezien; arm schepsel, één uit de duizenden vertrapten. Hij voelde weer schaamte tegenover haar, sterker, dieper nog dan tegenover Leida.

Zou Leida dat gevoel kunnen begrijpen?

Hij moest nu gauw naar haar toe; om twaalf uur

ging de trein.

't Weer was frisscher, de lucht licht bewolkt met plekken blauw, de wind koel, forsch aanblazend.

Toen hij in den trein zat, begon hij te bedenken, hoe hij Leida zou te spreken krijgen; hij moest naar haar huis gaan, haar te spreken vragen.

Vreemd, daar weer heen te gaan.... misschien

voor 't laatst Baar was weer die verschrikkelijke,

die vreemde gedachte.... nee, nee dat niet.

Hij belde aan.... de dienstbode keek verwonderd toen hij naar Leida vroeg; ze liet hem in 't salon.

Hij dacht weer aan den dag, jaren geleden, toen hij hier ook had gezeten, wachtend op Leida, toen haar vader was binnen gekomen en later zij zelf, zoo levendig, zoo vol liefde, zoo heelemaal van hem, bereid op hem te wachten. Hij zag haar weer zóó voor zich met haar kleur, haar vochtige schitteroogen, haar uitge-