is toegevoegd aan je favorieten.

Mammon

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O God, wat zeg je toch vreeselijke dingen. Hebben daarvoor je vader en ik zoo gewerkt en ons alle genot ontzegd om onzen kinderen eene goede opvoeding te geven? Goddank, dat je vader dit ten minste niet beleefd heeft."

Nora ging de kamer uit, weer met dat gevoel van koude; ze wist geen troostwoord te zeggen.

Eenige dagen later ging ze eene wandeling doen; ze voelde zich zoo moe van al het denken, ze had behoefte aan frissche lucht. Op de Stadhouderskade kwam ze van Aarden tegen; ze hoopte, dat hij haar aan zou spreken, liep voort op het trottoir, waar ze hem aan zag komen.

Ze zag verrassing op zijn gezicht, toen eene lichte aarzeling. En in haar streden weer emoties: warme vreugde, smachtend verlangen naar sympatie, licht schaamtegevoel ook.

Maar zijne begroeting bracht weer kalmte in haar, iets heel rustigs voor een oogenblik.

„Hoe gaat 't?" vroeg hij, naast haar voortloopend. „Mag ik een eindje meegaan?"

„Zeker. Mij gaat 't goed, 't zelfde." Ze vertelde van Frans, en 't spreken er over maakte haar in eens zenuwachtig, gaf haar een gevoel van zwakte, als eene verslapping van hare energie. Hij zag haar bleeker worden.

„Je bent zeker heel moe?" vroeg hij bezorgd.

„Ja, ik zal maar naar huis gaan."