is toegevoegd aan uw favorieten.

Ole Tuft

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het meisje, dat iemand zag aankomen, die hier langs de ramen moest voorbijgaan, liet het gordijn vallen; het werd halfdonker; misschien zouden zij in de andere kamer haar wel kunnen hooren schreien. Eindelijk ging hunne omhelzing in een zacht gefluister over, dat eerst gedurig door onderdrukt snikken werd afgebroken, ten laatste echter gevolgd werd door zooveel mogelijk ingehouden schreien, dat nu wèl, dan weer niet werd gehoord, als door een toondemper gewijzigd. Er werd gefluisterd over den dag waarop hij haar zou nareizen, om dan nimmer weder van haar te scheiden; dan werd erover gefluisterd, hoe hij voor haar altijd een trouw vriend zou zijn; over die heerlijke toekomst, die het ofler, dat zij thans brachten, wel waard was; over hunne brieven, die dagboeken worden zouden, de zijne en die van haar ook. Dan nog enkele, haastige woorden van uimmereindigende liefde. En die woorden waren alle van hem; het dol snikken kwam van hare zijde.

Hoewel dit uur van samenzijn tevens voor hen het uur van afscheid-nemen was, hadden zij tot dusver nog geen enkel oogenblik van zulke innige, ongestoorde vertrouwelijkheid genoten. Het nieuwe hiervan keek om het hoekje van de smart, als een zonnestraal, die door een kleine opening van het dak vallend, een eigenaardig licht werpt op enkele voorwerpen in een anders donker vertrek. Haar snikken ging nu ook allengs tot fluisteren over ; bij de eerste woorden die zij sprak, wilde hij haar in de oogen zien; maar dit mocht hij niet doen. Als hij stil wilde blijven zitten en haar niet in het gelaat zien, zou zij hem meer zeggen: Hij was haar blanke Pasja! Wat zij daarmede bedoelde? Dat wilde zij eerst niet zeggen; dat werd een te lange geschiedenis; maar zij had op den blanken Pasja gewacht, sedert zij geen kind meer was; dat is te zeggen, sedert den dood van haar vader; toen was zij twaalf jaar. Zij had het hard gehad, vreeselijk hard, toen zij van Berlijn terugkeerende, geen moed bezat, om in het openbaar te spelen; maar daarover wilde zij nu niet praten; dat zou veel te lang duren. Al dien treurigen tijd door had zij van haar blanken Pasja gedroomd. Och, als hij toch maar kwam! Zij had haar vertrouwen bewaard, dat hij eenmaal komen zou. Zelfs, al ging zij in de diepte tot „de walvissclien" zou hij haar volgen en haar