is toegevoegd aan je favorieten.

Gedichten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LXII

EENZAME EIK.

i jij is : zijn armen zeegnen stilte en duister,

1 Die eeuwig woonden rond den reuzestain:

En in de wolken wiegt in pracht en luister Een meir van loof, het .graf der bliksemvlam.

De profecij der eeuwen, hoor! zij ruischt er

Door 't bochtig hout, dat ketterzang vernam En stil gebed en vloek en zoet gefluister;

En 't klimveil rankt om spichtig mos en zwam.

En tusschen wortelknoest en stronk, die boren

Het hart der aard, knaagt vrij de schuwe muis; De meerl laat ver omhoog haar liedren hooren.

Wiens houwen zwicht ge eens, stortend met gedruisch ? Wien, eik ! zult ge op de waterbanen schoren....

Welk honderdtal wordt gij ten doodekluis ?

9