is toegevoegd aan je favorieten.

Gedichten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LXIII

DE ADELAAR.

j n 't schaarsch struweel, dat gretig naar mij hield

Zijn duizend groene vingren uitgestoken,

Heeft mij verslonden, waar 't van loovers krielt En bijtende elzen, die het aanschijn strooken

Met rasp en tand, door martelzucht bezield ;

Toen, uit de ruwe omarming losgebroken,

Viel 'k aan den hoogen bergzoom neergeknield,

En zag in diepte en damp het dal gedoken.

Maar ver omhoog, aan 't eindloos-effen zwerk, — Een zwarte ster in blauwe lucht — hangt zwevend Een adelaar op breeden dubbelvlerk....

En plots de wieken en de breedte revend,

Stort hij, gelijk de dood op menschenwerk,

Op wat niet is te zien, in de' afgrond levend.