is toegevoegd aan je favorieten.

Gedichten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

honderd jaar nog even mooi zal zijn als nu. Het slot van dezen brief met zijn stijf-aangekleede banaliteiten, « het veld van ons schoonvinden dient zoo uitgestrekt te zijn, dat er velerlei op kunne plaats bezitten » lijkt wel regelrecht weggeloopen uit een dier plattelandsnutslezingen, waar de dorpling 's winters de gezelligheid bij zoekt.

Cf? Neen, nogmaals, men krijgt in deze brieven niet Perk te zien, zooals hij waarlijk geweest is, maar alleen een voor de gelegenheid zich opschroevenden jongen, die op 't nageslacht geen prettigen indruk maken kan. Het is een gebrek aan takt te noemen in Vosmaer, dat hij dezen schijn-Perk wou doen voortbestaan, en zijn eenige, maar dan ook voldoende, verontschuldiging voor dezen misgreep ligt in de elders door mij aangetoonde waarheid, dat hij letterlijk is moeten « gelijmd » worden, om als uitgever op te treden, daar de moderne kunst van Perk, zoowel als die der andre jongelui van '80, hem, den slechts oog en oor voor Homerus hebbende, letterlijk-gezegd zoo koud liet als een steen. Cf? Ik hoop nu maar dat door mijn mededeelingen over den echten Perk, den zuiveren, eenvoudigen, diepen gevoelstnensch, de onpleizierige indruk, dien het door Vosmaer geschetste beeld moet maken, zooveel mogelijk op den achtergrond raken zal.

CS7 Ik heb mij natuurlijk wijselijk onthouden bladzij voor bladzij dezer Voorrede te bespreken : de lezer, die er pleizier in heeft, zal nu zelf wel in staat zijn, zoowel uit deze niet zeer natuurlijke gelegenheidsbrieven als uit Vosmaer's aesthetische en andere opmerkingen menige zinsnee te halen, die een glimlach wekken moet. De omgang, per brief, tusschen Vosmaer en Perk was er volstrekt niet een als van wijshelpenden vader tot kinderlijk-gevoelig luistrendenzoon, gelijk die, beider leeftijd en positie in aanmerking genomen, had behooren te wezen, maar een geheel en al oppervlakkige, vol leege komplimentjes van de zijde des jongren, vol afwijzende terughouding van den kant des oudren mans. Noch Vosmaer, noch Perk leert men er door kennen in hun waarlijk-goede, ja voortreffelijke kwaliteiten : de intiemere helft van ieder opende zich naar heel andre kanten, menschen zoowel als dingen, heen. Vosmaer zag toen niet veel in Perk getuige het weigeren van Mathildesonnetten — en Perk zelf zag in Vosmaer slechts den hem misschien helpen kunnenden tijdschrift-redacteur. Zoo bleef de omgang tusschen beiden,blijkens deze Voorrede,levendig-maatschappelijk, maar ieder's eigenlijke, innerlijke wezen hield zich, in dien omgang, geheel en al schuil.

Cfl Laat mij nu, na deze karakteriseerende uiteenzetting, nog even mogen wijzen op eenige niets ter zake dienende, want met Perk's dichterschap in geen enkel verband staande mededeelingen aan het slot van Vosmaer's stuk.