Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaf. Over de Duitsche bronnen, zie verder Böhme, Altd. Ll>., nr. 523, bl. 028, cn Eiik u. Böhme, Deutscher Liederhort, III, nr. 1950, bl. (555. — Aangehaald door W. Moll, Mannes Brugman, 1854, II, bl. 159, met verzending naar Rpd. Hoffmakn's [.eben Jesti nach den Apoenjphen, Leipzig 1851, bl. 145.

Melodie. Böhme, t. a. p., naar het Lb. van Haym von Themar, 1590; — naar dezelfde bron. Baumker, Das kath. deutsche Kirchenlied, I, nr. 147, bl. 402, en Ekk u. Böhme, t. a. p. Deze laatsten teekenen daarbij aan: „Wunderlicli fremd. unserm Tongefühl zuwider, klingt das mollis der beiden vorletzten Zeilen in das mixolydisch herein". Het is echter te veronderstellen, dat de t> bij het woord hertken, in de eerste strophe, daar niet behoort. — Vgl. hierna de melodie „Te lucis", enz., die dienst doet voor het lied: „Heer vader, hebt den ewigen lott'V

Volgens Dit is een schoon suijverlijck boeexken (geest, goedk. Antw. 1570), Amst., Corn. Claesz., z. j., bl. 0 r" (zie liiervoren III, bl. 1844), werd het lied: „Het is heden den daeh van vroolijckhevt* voorgedragen „op de wijse: Doe Jesus ghebooren wert*.

Sluiten