Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8. Ze hen Heere Jezus genomen,

ze henden genomen voor schelm en dief.

en gezet in eenen zetele, — ja zetele,

en gespogen in zijnen aansching:

,dat alle die vuile slijmen, — ja slijmen.

dat ze al dienen voor medecijn!"

9. Ze hen Heere Jezus geslegen,

ze henden geslegen met koorden zoo stijf,

dat de knobbelen vanne de koorden, — ja koorden.

dat ze al prentten in Heere Jezus zen lijf.

10. Ze hen Heere Jezus geslegen.

ze henden geslegen met zweepen zoo stijf,

dat de snoeren vanne de zweepen, — ja zweepen.

dat ze al prentten in Heere Jezus zen lijf-

11. Ze hen Heere Jezus geslegen,

ze henden geslegen met roeien zoo stijf,

dat de bloeisels vanne de roeien, — ja roeien.

dat ze al prentten in Heere Jezus zen lijf.

12. Maria en Sint-Djosep,

en ze kwamen daar bijgegaan:

„och, laat mijn lief zoontje toch gaan,

en hang mij ane den kruiseboom, — ja knuseboom.

en laat mijn lief zoontje toch gaan!"

13. — „ k En hange joun aan den kruiseboom niet.

noch 'k en late je zoontje niet gaan;

en je zoontje die moe sterven, — ja sterven.

want den Goeden Vrijdag komt aan:

Maria, gij moet deuregaan!"

14. Maria en Sint-Djosep,

en ze droomden daar eenen droom:

dat Maria's blauwe mantele, — ja mantele,

lag onder den palmeboom.

15. De blaadjes waren groene enne de takjes waren lang:

en toen trok er Maria al en Sint-Jan, — ul en Sint-Jan.

te samen naar 't Heilig liand.

Maria met haren blauw mantele, — ja mantele,

en Sint-Djosep met zijn blauw kleed:

ze vaarden te samen over de zee.

Sluiten