Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Wner zyn zy al die (lustig zyn ;

waer zyn zy nu die dustig wezen ?

/eg dat zy komen drinken wyn,

het vyfde wondetje ligt ontsteken.

6. Waer is de jeugd, waer is de vreugd,

waer is het dansen, waer is het springen?

Het isser al vergacn in niet

g'lyk de snoeuw voor de zonneschingen.

2, 3. als = of. — 4, 2. dan- bijgev. — 4, 8. die bijgev.; basten = barstten 5, 1. di/stii/. = dorstig. — 5, 4. t.: ontleken-, vgl. C, 5, 4. — 6, 3. t.: is.

't Was op eenen góeden-vrijdag nacht.

O.

1. 't Was o]p eenen goeden-vrijdag nacht,

de klokjes luidden daar al zoo treurig,

't was de heer Jesus, die in zijn bitter pijn en passie lag. de bitter dood ging God bezuren.

2. Ons Heer trok zoo dikwijls te poorten uit.

te poorten uit, te stedenwaart binnen;

't was zijn allerliefste moedertje, die achter hem kwam bedroefd van herten, bedroetd van zinnen.

3. „Wel moedei'," zei Ood, .lieve moeder van mij,

al uw' droefheid en kan mij niet baten;

ik moet gaan sterven den bitteren dood om alle menschen zalig te maken."

4. De Heer op den berg van Calvarie kwam gegaan.

hij liet zijn kruisje ter aardewaart zinken;

al zijn gebenedijde wondetjes scheurden in tween,

zjjn dierbaar bloed liet Ood daar schinken.

5. Waar zijn zij 1111 al die dorstig zijn,

waar zijn zjj 1111 al die dorstig wezen ?

Zegt dat zjj komen drinken van den heere Jesus' rooden koelen wijn 't eerste wondetje ligt ontsteken.

6. Waar is de jeugd, waar is de vreugd,

waar is het dansen, waar is het springen?

t' Is al vergaan in droef getreur

gelijk de sneeuw voor zonneschingen.

Sluiten