Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. Solaes willen wi hanteeren ende altoos vrolic sijn,

ende blijdelic hoveren

met Ihesus mijn niinnekijn; waerom so willen wi trueren? Het en mach anders niet sijn; ten sal niet langho dueren, dat ic bedruct sal sijn.

2. In al die werelt wijde en vindic niet so goet,

dat mi mach maken blijde, dan Ihesus mijn minnekijn;

hier om wil ic mi gheven hem te dienen tot alder tijt; so wert ic van u verheven ende eewelic verblijt.

3. Hi is een heer der heeren, de schoonste diemen vint;

ic wil mi tot hem keeren want hi ons seere mint;

gheen herte en can verminnen die blischap, die hi heeft bereyt denghenen die hem minnen,

als die scriftuer ons seyt.

4. Hi is een bloem gheheten seer suverlic ende claer,

hi is soo hooch gheseten

al boven der enghelen schaer, gheboren tot onser baten van eender maghet bequaem; al boven honich raten es soeter Ihesus naem.

5. Wanneer sal ic aenschouwen sijn over claer aenschijn? Och mochte ic hem behouwen al inder herten mijn,

wat mi mocht overcomen en soude ic achten niet;

waert so, het soude mi vromen, so en had ic gheen verdriet.

6. Och God, wilt mijns ontfermen doer uwen name fijn,

ende wilt ons doch beschermen al van die eewighe pijn,

endo wilt ons doch gheleyden ende brengen int eewighe rijck als wi vun hier al scheyden; dat bidden wi al ghelijck.

Tekst. Dit is een suoerlijc boerjcken, Antw. 1508, bl. 42 r", „Uit liedeken gaet op die wise: Cleve, hoorno ende batenborch"; hierboven weergegeven; — herdrukt door Dl-. J. G. R. Acqcoy, Het geest. lied in de Nederlanden vóór de Hervorming, 's-Grav. 1886, bl. 79, t. p., waar de schrijver zegt; „Slechts zelden hoort men een lied uit volle borst zooals dit . . . en zelfs dan. als de aanhef meer blijmoedig klinkt, mengen zich meestal weer treurige gedachten door de blijde heen ;* ■— Een dec. en prof buecxken, Antw. 1539, nr. 1, uitg. I). F. Scheurleer, bl. 17, „Solaes wil ic hanteren", aant. bl. 342; — herdrukt door l)r. J. G. li. Acquov, Middeleeuusche geest, liederen en leisen, 's-Grav. 1888, nr. 19, bl. 38; — Het hof ken der geestelycker liedekens. Loven 1577, bl. 119, „op die wijse: Met vreuchden willen wij singhen".

Dr. 15. Hölscher, Xiederdeutsche geistl. Ldr., 1854, nr. 24, bl. 52, aanverwante tekst, ten minste wat betreft de eerste strophe:

Solaes wylle wy hanteren,

myt Jhesum vrolick syn,

end blidelick jubileren myt reinen herten fyn;

Sluiten