Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. l'rincersse lier,

mijn hope staet al aen dy; rcyne eglentier,

aenhoort mijns drucx ghescry ende staet mi bi,

ende scheyt nu niet van mi, thoont doch u compassie soet; mi en ruct hoe dat si,

mach ick comen vry bi u, mijn liefste goet.

1, 7. t.: terladen. — 1, 7. vergoort, besmet, nl. met zonden. — 2, 8. ghenoo', gedwongen, bekoord. — 3, 1. t.: lesu, en troost gUi mi niet. — 3, 9. weerde paer, misschien te lezen neder paer, wederpaar. De zin zou dan zijn: dat valt te zwaar aan ,natuerken", nl. het lichaam, wederpaar van den geest, beide in str. 2 vermeld. -— 4, 1. t.: Maria, prineerssc fier. — 4, 3. t.: 0 reijne ende sttijver eglentier-, over den egelantier (wilde rozenstruik) in onze liederen, zie Dr. G. Kalff, liet lied in de SI. bl. 349. — 4, 8. mi en ruct = mi en roect, d. i. mij geeft het niet.

Tekst en melodie. Een der. en prof. boecxkeu, Antw. 1539, nr. 141, uitg. D. F. Scheurleer, bl. 172, zonder wijsaanduiding; — J. C. M. van Riemsdijk, Vier <n twintig liederen uit de 15*' en ld'1' eeuw, 1890, nr. 4, bl. 9, naar dezelfde bron.

14t>

Sluiten