Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elke strophe worden de eerste vier regelen als refrein herhaald. — Aangeh. bij Dr. J. A. N. Knuttel, liet geest, lied in (le Nederlanden voor de Kerkhervorming, liott. 1906, bl. 252, die doet opmerken, dat in dit lied duidelijk bestaande uit twee deelen: do strofen 1 — 5, met de repetitie een Marialied vormen, met rijmschema d (i terwijl de strophen 6 — 8 een kerstlied uitmaken, met rijmschema a a b h. Ue schrijver wijst daarenboven op het verband tusschen stropho 10 en het refrein van het lied: „Wete wel wat de kinderkens songen" (zie hiervoren III, nr. 535 13. bl. 2099); — Ken dev. en prof. boeexken, 1539, nr. 233, uitg. I). F. Scheurleer. bl. 268, 9 strophen, met betrekking tot bovenstaanden tekst als 1—4, 6, 5, 7, 9 en 10.

B. W. 1'. H. Jansen, Tijdschr. voor N.-N. tnzgscli., Ainst., 111 (1891), bl. 261, naar een Hs. van o. 1600 hem toebehoorend, zonder wijsaanduiding noch melodie; vangt aan met str. 10 van A.

Melodie. Baumkr, Niederl. gcistl. Ldr., Vierteljalirsschrift 1888, bl. 192, met de eerste strophe van den tekst, naar het Berlijnsch Hs. 8,190; — Een dev. en prof. boeexken, t. a. p., zelfde zangwijs. — In A str. 1 = 11, en B str. 2, wordt het woord ,Kinder", onder den invloed der melodie, iambisch gescandeerd.

Sluiten