Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ofschoon eenigszins in metrum met dezen laatsten tekst verschillend, werden de strophen ter eere van St.-Maarten, op de melodie van Den giteest. leeutcercker aebracht; vandaar ongetwijfeld de zoo misselijke notatie, die men bij d. C. aantreft.

Hierboven hebben wij getracht tekst en melodie in nader verband te brengen.

Dezelfde melodie, die men bij Bolognino vindt, komt met C 3-maat voor op bl. 48-9 van liet Hs. nr. 4858 (c. 1621) der Brusselsche K. Bibliotheek, voor: „Grooten Jesu wat comt u te voren // dat gij in een stal wilt sijn geboren" ; en, telkens met dezelfde maataanduiding, bij Pers, Gesangh der zeeden, Amst, 1648, bl. 69, en uitg. 1656, bl. 69, „stemme Roalinde" (Rosalinde?) voor: „leugd u vreugde", en bij H. Ph. Jennyn, Gheestelyeken natekenden staf der lodselie schaep-herders, Brugghe, 1653, nr. 28, bl. 78 vlg., stemme: „Quam Mariam dulcibus ocellis tuebaris, etc.*.

De wijs: „Quam Mariam", enz. wordt aangehaald in Den blijden-iregh tot Bethleem, Antw. 1645, bl. 96, en Den gheestelycken speelwagen, Antw. 1671, bl. 101, voor': „Ach, hoe goet is 't God hier aen te hangen*. Op bl. 105 van beide verzamelingen vindt men de wijs: „Quam Mariam dulcibus in ca-lo", voor: „Compt laet ons nu eens tien Heere gaen dienen".

St.-Maarten, Bisschop van Tours, Patroon van Utrecht, stierf te Candes op 11 November 397. — Andero liederen op St. Maarten zijn te vinden o. a. bij Stalpaeri, Gulde-iaers feestdagen, Antw. 1635, bl. 1062, „Martijn van Tours", — „stem: Segt doch mijn licht", met de melodie, die geen andere is dan degene, welke diende voor het lied: „Wanneer ick slaep". zie hiorvoren I, nr. 162, bl. 603; — in Den smgende zwaan (Antw. 1655), Leyden 1728, bl. 432, „O Sint Martijn! O man van grooter waerde", met de melodie aldaar.

Sluiten