Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

703. Mijnen gheest die heefc altoos verlanghen.

1. Mijnen gheest die heeft altoos verlanghen om van dit vlees verlost te zijn;

want my die sonde neemt ghevanghen,

dies lijdt mijn herte een groote pijn.

2. En hoe dat ick altoos moet strijen,

dat weten sy wel diet hebben gheproeft ; ick worde bestormt van alle zijen,

waer door ick dick ben seer bedroeft.

3. Ick heb wel dick eenen goeden wille,

maer het voldoen en vinde ick niet;

daerom moet ick hier af swijghen stille,

want van my selven en mach ick niet.

4. Maer als ick dan (!ods goetheyt aenschouwe, so wort mijnen gheest wederom verweet,

dat ick zijn woort [weer] vast betrouwe, hoe seere my tquaet oock daer af trect.

5. Sijn woort en sal ick nemmermeer laten,

want het geeft my so stereken moet,

dat ick met recht dat vleesch moet haten, al vallet alle sinnen hart en onsoet.

ti. Mocht my Gods goetheyt altijt gheburen, so leefde ick vry sonder verdriet;

verblijden sou ick tot allen uren,

want sonder hem en can ick niet.

7. Maer die dit liedeken eerstmael stelden, sy converteerden in haren sin;

en veel vianden haer daghelix quelden, en <iod seynt haer altoos zijn gratie in.

Sluiten