Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dl. BI.

I. 131 vlg. „Ick stont op hooghe berghen". Vgl. Marius A. Brandts Boys, Liedjes van en voor Neerlands volk, Lei Jen 1875 [sign. d 5 v0]: „Toen ik op hooge bergen stond', met opschrift: „Een lied uit de XV<>e eeuw, gelijk men het tegenwoordig hoort zingen". Zie mede Blyau en Tasseei., lepersch oud-lb., Gent, l"10 aflev. 1900, nr. 17, bl. 51: „Ik klom er op hooge steinen // en ik keek"; 2dc aflev. 1902, nr. 49, bl. 152: „Daar was e stoute jonge ruitere", en nr. 50, bl. 15-3: „En ik klom op hooge steinen".

„ 141. „Er zat een vrouw maged op haar kasteel". Vgl. Blyau en Tasseei., lepersch oud-lb., Gent, lsle aflev. 1900, nr. 6, bl. 23: „Daar zouder een maged vroeg op gaan staan".

„ 146. „Dat alle berghen". Vgl. Blyau en Tasseei., lepersch oud-lb.. Gent l,te aflev. 1900, nr. 7, bl. 26: „Als al de boomen bergen waren", en zie: Gkundtvici, Ga mie danske folkeviser (»ie), nr. 306, aangeh. door Dr. .1. Bolte, Zeitsclir. des Vereins für Volkskunde, Berlin 1902, bl. 371.

„ 164. „Het sonde een fier Margrietelijn". Vgl. Blyau ciiTasseel, lepersch oud-lb., Gent 1900, nr. 9, bl. 29: „Des avonds in het klaar manesching".

„ 167. 2"" notenbalk, laatste noot, in plaats van c lees: c «.

„ 170. „Het waren twee koningskinderen goed". Vgl. de Brugsche lezing, medegedeeld door Dr. M. Saube, in Volkskunde, Gent, XIII (1900 — 01), bl. 191, „Daar waren drie gezusters" (Isabelletje). Regels 78 en 82: „Ga jen vader tegen in een heere bereid", — „En ze goeng (ging) hacr vader tegen in een heere bereid', zou Dr. Sabbe, naar hij ons welwillend mededeelde, thans verklaren door: „Ga uw vader te gemoet in eerbaarheid', enz. — Misschien kan men ook lezen: „in een heere gekleid', voor gekleed.

„ 185. „Daar zou 'er een magetje". Vgl. Svend Ghindtvih, Danmarks tjamlc folkeviser, Kjöbenhavn, IV (1883), nr. 254, bl. 565 vlg , die, bl. 577, den volledigen Nederlandsehen tekst mededeelt; zie mede Hi.yau en Tasseei,, lepersch oud-lb., Gent, l",e atlev. 1900, nr. 20, hl. 59: „Daar zouder een landsniaagdetje vroeg op gaan staan", en de lezing „opgeteekend te Hoesselt", te vinden in 't Vughet, Hasselt XX (1904), bl. 154: „Er was een mooi maagdeken vroeg opgestaan // om niet haar zoete lief uit wandelen te gaan" (9 str.).

„ 19:>. „De velden stonden groen". Aangeh. bij Axel Oi.rik, vervolg op Svend Gruxdtviu's Danmarks gamle folkeviser, Kjiibenhavn, V* (1890), nr. 303, bl. 201.

„ 198. „In eenen boomgaert fjuam ic ghegaen". Vgl. Axel Olkik, vervolg op Svend Gbijsdtvig's Danmarks gamle folkeviser, Kjiibenhavn, V® (1890), nr. 305, bl. 216 vlg., waar bl. 219, de Nederlandsche tekst herdrukt is.

207. „Ic weet noeh enen acker breit". — „Vgl. zum Stoffe: Montanus, Schirankbiirher, 1899, S. XXIX" (Dr. J. Bolte, Xeilschr. iles Vereins für Volkskunde, Berlin 1902, bl. 371).

Sluiten