is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuw geneeskundig wetboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zinnigengestichten, op aanvrage van het bestuur van liet gesticht, schriftelijk hebben verklaard:

1°. dat de woning, de omgeving daarvan, en het vertrek of de vertrekken, voor de lijders bestemd , voor de verpleging van krankzinnigen geschikt zijn, en

2°. dat de woning op niet te grooten afstand van het hoofdgebouw van het gesticht is gelegen.

De inspecteurs stellen bij elke verklaring het maximum van het getal verpleegden vast, dat in eene woning mag worden opgenomen.

Achten de inspecteurs de in de aanvrage van het gestichtsbestuur bedoelde woning ongeschikt voor gezinsverpleging, dan doen zij hieromtrent eene met redenen omkleede verklaring aan het bestuur toekomen.

De inspecteurs kunnen, na het bestuur van het gesticht te hebben gehoord, de verklaring, bedoeld in het lsle lid, intrekken, indien nader blijkt, dat de woning, de omgeving daarvan, of het vertrek of de vertrekken, voor de lijders bestemd, voor de verpleging van krankzinnigen niet geschikt zijn.

Van de beslissingen der inspecteurs, bedoeld in het l«te, 2de ( 3de en 4de lid f kan het bestuur van het gesticht hooger beroep instellen bij den Minister van B. Z. Deze beslist in hoogste instantie.

De Minister van B. Z. kan in de gevallen, voorzien in het 4de lid) zijne beslissingen, ingevolge waarvan in eene woning gezinsverpleging plaats heeft, intrekken, na het bestuur van het gesticht te hebben gehoord.

Van de beslissingen van den Minister van B. Z. en van de inspecteurs wordt afschrift gezonden aan den officier van justitie in wiens arrondissement het gesticht, en aan den burgemeester in wiens gemeente de woning gelegen is, en van de beslissingen van den Minister mede aan de inspecteurs.

Art. 2. In den bouw van het vertrek of de vertrekken, bedoeld in art. 1, l8te lid, sub 1 , mogen geen veranderingen worden aangebracht zonder goedkeuring der inspecteurs.

Wordt deze goedkeuring niet verkregen, dan kan het bestuur hooger beroep instellen bij den Minister van B. Z. Deze beslist in hoogste instantie.