Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*Geliefden in onzen 'jtieer Jezus "Christus!

TT oen Jakob uit Mesopotamie, waarheen hij voor zijn broeder Ezau gevlucht was, naar Kanaan terugkeerde, sprak hij, aan de grens van het land der belofte gekomen, het van zelfkennis en ootmoed getuigende woord: „God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Izaak, Heer — ik ben te gering voor al de barmhartigheid en voor al de trouw, welke Gij aan uwen knecht gedaan hebt". Voorwaar, Jakob had reden zoo te spreken. De Heer had niet met hem gehandeld naar zijne zonden en hem naar zijne misdaden niet vergolden. Trouw had Hij vervuld zijne belofte: „Zie, Ik ben met U en zal U behoeden, waar gij heentrekt, en zal U weder hier brengen in dit land." In de twintig jaren, die hij bij zijn oom Laban doorgebracht had, had de Heer hem overvloedig gezegend, zoodat hij, die Kanaan verlaten had met niets dan zijn staf, erin terugkeerde, geworden tot twee heiren.

Dat woord van Jacob, Gemeente, vindt weerklank in mijn hart, als ik terugzie op de zeven jaren, die ik in uw midden heb mogen doorbrengen. De Heer heeft mij in die jaren rijk gezegend. Gezegend in mijn huis. Gezegend in mijn hart. Maar ook, maar bovenal gezegend in mijn arbeid. Wat heb ik hier veel tot stand mogen brengen in den tijd, dien ik onder U arbeidde. Hoe ziet het er thans geheel anders uit als toen ik kwam, hier in het bedehuis, maar ook om het bedehuis heen! Hoe is de Gemeente vooruit-

Sluiten