Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ja, ik weet, Gemeente, dat deze dag voor u is een droeve dag, dat ge mij o zoo noode uit uw midden ziet vertrekken. Maar, gelooof mij, ook mij valt het moeielijk — God alleen weet hoe moeielijk — om van u heen te gaan. U allen heb ik lief. Aan velen uwer ben ik zeer gehecht. Ik weet dat mijn heengaan voor de meesten uwer is een groote beproeving. Daarom had ik nog zoo gaarne bij u willen blijven en des Heeren werk onder u willen blijven doen. Hebt gij gebeden dat ik bij u mocht blijven, ik heb het niet minder gedaan. God heeft onze gebeden echter niet verhoord. Of ja, Hij heeft ze wel verhoord, doch anders dan wij het wenschten. Anders, maar ook beter. Dat gelooven wij. En dat geloof moet ons troosten en sterk maken. We kennen onzen God. We weten dat Hij ons liefheeft. We zijn er van verzekerd dat niets ons scheiden kan van zijne liefde, welke is in Christus Jezus onzen Heer. Neen, van die liefde kan niets ons scheiden, niets dan alleen wijzelven. Laat mij u daarvoor waarschuwen met al den ernst der liefde, die voor u woont in mijn hart, in dit uur, waarin ik voor het laatst als «tc leeraar tot u spreken mag als tot mijne Gemeente.

Ge vindt mijn tekst Hand. II : 23b.

Toen de Gemeente te Jeruzalem vervolgd werd, verlieten velen harer leden die stad om zich te onttrekken aan het gevaar, dat hun daar dreigde. Overal waar deze jongeren des Heeren kwamen, spraken zij van hunnen Heer en verkondigden zijn Evangelie. En niet te vergeefs deden zij dat. Door hun woord kwamen velen tot het geloof in den Heer. Zoo was de verstrooiing der Jeruzalemsche Gemeente bevorderlijk aan de uitbreiding der Gemeente. En niet alleen in Palestina breidde zich de Gemeente op die wijze uit, maar ook daarbuiten. In Fenicie en op Cyprus ja zelfs, tot in Antiochie toe werd het Evangelie verkondigd. In de laatste

Sluiten