Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kenis der Middeleeuwsche steden. Elke stad, klein of groot, was in veel sterker mate dan thans een centrum van verkeer, vormde met het omringende landschap een zelfstandigen kring van productie en verbruik. Het afzetgebied van de stedelijke markt voor de waren, die niet door huisarbeid ook op het platteland werden voortgebracht, zooals allerlei gereedschap, tooi en sieraden, bier enz., viel vrijwel samen met het toevoergebied, waaruit de stad voedingsmiddelen, brandstof, huiden, timmerhout enz. betrok. Van de dagelijksche behoeften werd alleen het graan dikwijls door kooplui van verren afstand aangevoerd; voor de rest voorzag de onmiddellijke omgeving in alles, wat de stad noodig had. De stad voorzag voorts de aanzienlijken uit het omliggende gebied van enkele producten, die de koopman van verre, vreemde markten moest halen: fijn laken, pelswerk, wijn. Zoo vond de sfeer van Haarlem's toevoer en afzet daar haar grens, waar die van Leiden, Alkmaar, Gouda, spoedig ook Amsterdam, begon. Als centrum nu van zulk een bepaald gebied moest de Middeleeuwsche stad ook in alle behoeften,kunnen voorzien; geen nering of tak van handel mocht of kon in de stad

O o

ontbreken: elke stad had niet alleen haar goudsmeden en brouwers, haar touwslagers en hoedemakers, maar ook haar spelde- en messemakers, haar groenververs en looiers. Een eigenaardigheid trouwens, die nog tot in de I9e eeuw van de Middeleeuwsche „Stadtwirtschaft", zooals de Duitschers zeggen, hier en daar is overgebleven.

Hoe gering de omzet geweest mag zijn, en hoe klein het inwonertal (Blok schat Leiden in de 13e eeuw op 1000. omstr. 1400 op 5000 inwoners; tijdens het beleg van 1574 was het 14 a 16.000), de beteekenis van den stedelijken handel en rijkdom is slechts relatief; op het platteland was haar overwicht als geldmacht en handelsmacht verbazend groot.

Sluiten