Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ting moest opbrengen, dikwijls haar ontevredenheid. „Ongeld, mala tolta" noemde men haar; menig oproer was het gevolg, als de klachten der gemeente niet tijdig werden verhoord, zooals die van Brugge in 1280: „Vort betoghet die meente, dat noit ne was so suaer assise als nu es, ende dat sic willen wesen over die rekeninghe ende willen weten waer dit goed es ivaren ende sie synt oec sculdich te wetene van iare te iaren, omdat siet gelden". Het was voor een revolutieman een leus, die dikwijls werkte: „Alle tollen af ende assizen! — Meinende hiermede meer ende men, tonnoosel volc te treckene aen hen", zooals het in het vervolg der Brabantsche Veesten heet.

De Haarlemsche accijnsbrief bevat een zeer verstandige

o

en voorzichtige bepaling, een veiligheidsklep met het oog op den dreigenden onwil der gemeente: de schepenen en gezworenen kunnen met beraad van de „alinghe" gemeente den accijns afslaan en midden in den tijd opheffen, zoo dikwijls zij meenen, dat dit van noode is.

Wil men evenals de Bruggelingen weten, waar het geld bleef? Het onderwijs kon destijds de beheerders der gemeentekas nog koel laten, maar publieke werken eischten veel van hun zorg. De uitdrukkelijk vermelde bestemming van den accijns is steeds de versterking der stad. Ook de Haarlemsche brief begint: „Dat allen weten, zoo tegenwoordigen als nakomenden dat wij ter wille van de bevestiging en versterking van onze vrije stad Haarlem aan de inwoners aldaar, gehoor verleenende aan hun billijke smeekbeden, hebben toegestaan tot bouw, versterking en bevestiging van voornoemde stad zoodanigen accijns, als deze tegenwoordige brief inhoudt". Muren en grachten, ook wel het maken en herstellen van straten, dat was het, waarvoor de opbrengst in de eerste plaats dienen moest.

Sluiten