Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

r

Welke zijn nu de bedrijven, die wij ons in 1274 te Haarlem blijkens den accijnsbrief mogen voorstellen?

Daar zijn allereerst de lakenhandelaars. Hun bedrijf is het voornaamste, zij behooren tot het stedelijk patriciaat. Toch zijn het geenszins groothandelaars in den modernen zin. „wantsnyden dat is wollen laken by der ellen uytmeten". En dat deden zij: de voorraden, die zij op de jaarmarkten van Vlaanderen hadden opgeslagen, aan den burger te slijten was hun dagelijksch bedrijf, en wanneer de Keulsche aristocraten het niet versmaad hebben, zelf onder hun „Gademen (de duitsche Lauben) het laken uit te meten, zullen de Haarlemsche zeker niet grootscher zijn geweest. Hun waar is geen inheemsch fabrikaat, en men moet hen niet verwarren met de drapeniers, die in later tijd opkomen. In de behoefte aan gewone grove stoffen voorzag overal de plaatselijke weefnijverheid; dat was een klein bedrijf, waartoe waarschijnlijk de klant den grondstof leverde; de accijnsbrief vermeldt droogscheerders, die van tien ellen laken, dat zij scheren een halven penning betalen, linnenwevers betalen 1 penning per week, wollenwevers 2 penningen.

Tot het laatste kwart der 13e eeuw was het Vlaanderen, dat geheel Noordwest-Europa van fijn laken voorzag: de soorten, waarvan onze accijnsbrief spreekt, zijn dezelide, die overal in den middeleeuwschen handel worden genoemd: t „schoon laken, gestreept laken, gemengd laken, in Brabant of Vlaanderen gemaakt"; van het eerste wordt per stuk 12 penningen betaald, van de andere 6, van Zeeuwsch laken 3 penningen. De Haarlemsche wantsnijder verkoopt ook pelswerk: vair, lamsvellen en andere soorten. Men mag zich voorstellen, dat hij nog de koopman bij uitnemendheid is: wisselaar, wellicht ook wijn- en graankooper als het te pas komt.

Eerst veel later heeft men de bewijzen, dat te Haarlem

Sluiten