Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BURGERLIJKE MORAAL IN DE KINDERLECTUUR.

De meeste gewone huiselijke verhalen, die de kinderen lezen, zijn als 't ware doortrokken van de burgerlijke levensbeschouwing en vooral betreffende de verhouding van armen en rijken, is die ten eenemale ongeschikt voor het arbeiderskind. Deze verhalen verkondigen de leer, dat het heel goed is, dat er rijken en armen zijn. De rijken hebben zooveel geld, omdat zij er veel «goed» mee zouden doen. Zij moeten vooral weldadigheid uitoefenen en aan «de arme menschen» een deel (erg groot hoeft het niet te zijn) van hun overvloed afstaan. De arme behoort daar dankbaar voor te zijn. Ook moet hij altijd braaf en vooral — zindelijk zijn. Nu, dat is de arme in een kinderverhaal dan ook geregeld. Er is in de «nederige hut» altijd — een kraakzindelijke tafel!

De arme moet zich nooit beklagen over 't gemis aan geld. «Tevredenheid, matigheid zijn een hoofdkussen, waarop de arme beter slaapt dan de rijke, die zich vaak de slaap moet koopen door alcoholische dranken, » zegt v. Nicritz «Een man met een kermiswagen heeft dikwijls gemakkelijker leven dan een schatrijk man», zegt mevrouw Van Osselen v. Delden.

Een voorbeeld van de honderden verhalen, die geschreven zijn om de kinderen te leeren, dat het bezit van geld niet gelukkig maakt, is b.v. een vertelling van v. Leent, getiteld: «Piet de Rijkaard». Piet was lui en slecht, maar hij had een zuster die een engel van braafheid was. Deze zuster valt bij het glazen lappen uit het raam dood. Op het prentje ziet men haar bloedend liggen, terwijl Piet kalm voor het raam staat te kijken. En nu roept Piet, die snoodaard, uit: «Gelukkig, nu ben ik de eenige erfgenaam». Dat het slecht afloopt met Piet, kan men begrijpen. Hij wordt een verkwister.

Sluiten