Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zettelijke vijandschap tegen den christelijken Zondag — het was overoude, diepgewortelde volkszede. De Germaansche volken hadden, mèt het christendom, ook den Zondag als feestdag ontvangen, maar de groote massa had van dat woord feest nog slechts zeer weinig gekerstende begrippen. Wie echter iets weet van de openhartige taal — om dit zachte woord te gebruiken — die predikanten zich toen op den kansel veroorloofden, hij kan zich voorstellen hoe zij, de tuchtmeesters der schare, die bezig waren door leer en tucht en organisatie het natuurlijk leven in zijn kracht en wildheid af te dammen, te bedijken en in te polderen, van den kansel plachten te keer te gaan tegen den zondendag, die den toorn des Allerhoogsten over het land brengen zou.

Zoo althans de preciesen onder hen. En zij vonden gehoor. Daarbij ging het gelijk op elk ander gebied: overdrijving baart overdrijving. Tegenover de volstrekte verwaarloozing van den Zondag ter eene kwam men tot de farizeeuwsche handhaving van dien dag ter andere zijde. Waar deze strenge richting heerschte, was de Zondag kerkdag met drie of vier godsdienstoefeningen van twee a drie uur ieder, waarheen men zich in stemmig zwart begaf en met verbod niet slechts van allen arbeid, maar ook van alle ontspanning, van wandelen, van zitten op de stoep voor 't huis. Eigenlijk moest men zich des Zaterdags al voorbereiden, opdat men zich den dag des Heeren zeiven geheel in geestelijke oefeningen ver-

Sluiten