Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A. Mannelik en Vrouwelik.

Ie. Behoren hiertoe de namen van wijfjesdieren, d. w. z. die woorden, die uitsluitend vrouwelike dieren noemen, zoals merrie, koe, teef, zeug, hen, leeuwin, tijgerin.

Het spraakgebruik is hier wankelend. In de gewone dagelikse spreektaal komt, naar 't schijnt, het mannelik geslacht vaker voor; het vrouwelike, dat vooral in 'tOosten van ons land wordt gehoord, klinkt soms gedistingeerder, soms ook gemaakt. In de schrijftaal geven velen aan 't vrouwel. de voorkeur.

Voorbeelden:

„Hoeveel zou die koe moeten kosten?" „Hij zal zowat tweehonderd gulden waard zijn." — „Die merrie heeft z'n (ook: V) poot gebroken." — „Die teef heeft zich losgerukt van z'n ketting." — „Hoe komen ze in Artis aan die nieuwe leeuwin?'' „Ze hebben 'm in Hamburg gekocht." — „Die hen zit nou ook altijd op z'n ('r) nest.'' — „Waar is de kat?" rHij (ze) loopt buiten."

2. De niet-onzijdige stofnamen komen zowel in het mann. als in het vrouwel. geslacht voor. In het eerste geval worden ze bij voorkeur aangeduid door de voornaamwoorden -ie (hij) en 'm (nooit door hem) en in het tweede geval door ze (nooit door zij of haar).

Voorbeelden:

Van soep sprekende: „Is ze niet te warm?" en „Is-te niet te warm?" — „Ze is lekker." „Hij is lekker."

„Wat is de turf duur." — „Ja, maar voor vijf jaar was ze (was-te) nog duurder."

„Ik kan die melk niet drinken. Hij is zuur (ze is zuur.)"

„Je kunt die bevroren grond toch niet omspitten. Hij (ook ze?) is veel te hard."

„Hoe vin-je die tabak (wijn)?" — „Ze is (hij is) niet zo goed als de mijne."

3. Om sommige verzamelwoorden en abstrakte zelfst. naamwoorden aan te duiden (regering, gemeenteraad, schutterij, teleurstelling, gewoonte enz.) geeft men in de beschaafde spreektaal de voorkeur aan 't aanwijzende voornaamwoord die boven

Sluiten