Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

twintig jaar." „Dat boerinnetje dat daar loopt brengt hier altijd melk."

De verkleinwoorden van eigennamen van vrouwen zijn meestal geheel vrouwelik; ze worden trouwens in de meeste gevallen niet meer als verkleinwoorden gevoeld. Mietje, Sientje, Naatje, Kaatje, Leentje, enz. „Die goeie Kaatje is weer komen helpen." ,Hij is getrouwd met die kleine Mietje, die hier verleden jaar is komen wonen met haar moeder." — „Die Sientje is zo'11 rare meid."

Maar ook nog wel, ofschoon minder dikwels: „Ia dit nou dat kleine Marietje dat al zo aardig lezen kan?'

Met het woordgeslacht hing vroeger samen het gebruik van de buigings-n bij lidwoorden, voornw. enz. ') Tegenwoordig zegt men in beschaafd Nederlands evenmin van den werkman, bij den afgevaardigde, op dien balk, als dat men die n in 't vrouwelik bezigt.

Vroeger was dit anders. En in enkele archaïsmen komt de vorm den nog voor, vooral in zuidelike streken: ook hierin verschillen de beschaafde dialekten (en nog veel meer de volksdialekten) van elkaar.

Soms is 'took een individuele eigenaardigheid van personen die veel boeketaal gewend zijn. Zo hoort men niet zelden:

in den vreemde, — voor den dag, — aan den drank, — uit den aard, — den eerste(n) Januarie, — voor den duivel, — voor den donder, — onder den duim, — 't hek is van den dam.

Evenzo: ten bate, — ten gunste, — ten overvloede, — ten slotte, — van harte, — op straffe, — naar mate, — in gemoede.

Tegen het schrijven van deze gesproken buigingsuitgangen bestaat natuurlik geen bezwaar.

') Daarover in den brede door Buitenrust Hettema in Taal ea Letteren V, 49, vv., 58 vv., — en door Kollewijn, ald. IV, 230 vv. Over de voornaamwoorden door Kollewijn, ald. V, 19—36. — Over het adjektief door Talen, ald. 172.

Sluiten