Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De toestand van het Voorbereidend Onderwijs was tot ongeveer in 't midden der 19e eeuw schier allerwegen zeer treurig te noemen. Nadat de Wet op 't Lager Onderwijs van 1806 was ingevoerd, kwamen, ingevolge art. 20 van die wet, voor de onderscheidene Departementen des Rijks schoolreglementen tot stand ten behoeve van de kleinkinder-, maitressen- of vrouwenschooltjes. Deze schooltjes hadden een negatief en een positief doel. Het negatieve doel was te verhinderen, dat zeer jonge kinderen op de lagere scholen werden geplaatst en het andere doel was eenvoudig: ze te bewaren.

Dat deze schooltjes zeer veel te wenschen overlieten, is duidelijk. Ze waren nog niet veel beter als die inrichtingen, waarvan reeds in 1775 ,,de Denker" schreef, dat ,,de lieve kinderen er bezwaard werden met het opdreunen van de vraagjes van Rorstius en de verzen uit Datheens psalmberijming". Het is dan ook volstrekt niet te verwonderen, dat de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, die in 1824 begon hare bijzondere aandacht aan de kleinkinderschooltjes te wijden, aan de zoo even aangeduide inrichtingen den naam gaf van bergplaats van kleine hinderen. En zeer duidelijk is het, dat het Nut spoedig de uitspraak deed hooren, dat ze „behoorden te worden vervormd in de zoodanige, waaruit de kinderen met eenige voorbereiding, althans met geene verkeerde indrukken voorzien, in de school van den onderwijzer konden overgaan.' Het Nut volgde zijn gewonen weg — liet schreef eene prijsvraag uit en het gevolg hiervan was, dat de ,,Handleiding voor houderessen van kleinkinderscholen" van de hand van den schoolopziener VlSSKR te IJsbrechtum, verscheen.

En ook op practisch terrein voerde ons de Maatschappij, die zooveel deed en nog doet voor de zaak van goed

Sluiten