Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bovendien staat ze niet in 't minst verband met mijn geschiedenis . . .

Ze zei het ferm en ik boog', eenigszins beschaamd, het hoofd.

— Zeker, ik kwam alleen oin iets omtrent ü te vernemen.

— Hoe kwam ik er toe te trouwen? Hoe kwam ik aan „hem"? Dat zal u interesseeren.

— In de eerste plaats.

— Welnu, door een advertentie. Vrienden van hem — hij was toen met verlof hier te lande — hadden een huwelijksannonce geplaatst, een grap, die voor ons beiden geen onschuldige gevolgen had. Ik schreef er op en sloot mijn portret in. Ik was een knappe meid . . . Maar, dat weet u allang uit mijn „Roman"', 't Eenige, wat ik den menschen, die het boek maakten, kwalijk neem, is dat ze me voortdurend mijn eigen knapheid laten prijzen.

„Ik was mij bewust, dat ik mooi was en bekoorlijk" (pag. 30).

' ,.Ik was mooi" (pag. 31).

„met de, oogen zijner moeder, meer mag ik niet zeggen" (pag. 36).

„eene bekoorlijke vrouw" (tweemaal op pag. 45).

„men had mij in hooge mate bekoorlijk gevonden" (pag. 91).

„ik ben jong, mooi, vroolijk" (pag. 119).

„hem verveelt een vrouw als ik" (pag. 124).

„en ik ben toch zoo mooi" (pag. 126).

„jonge en zeer bekoorlijke vrouw" (pag. 128).

Ze had een strookje papier te voorschijn gehaald en las mij voor.

— Ja, zei ze, ik was er op berekend. Ik wilde u dit zeggen. Ik heb het boek wel vier maal gelezen . . . Telkeus heb ik mij daaraan geërgerd . . .

— Maar uw huwelijk, u zou me . . .

— O, hij raakte verliefd op mijn portret. Ik zocht hem zelt' op, wat later . . . En 't gevolg . . . wel, we trouwden.

— En dat getrouwde leventje viel u al dadelijk erg tegen?

— Wel in 't geheel niet! We gingen naar Wiesbaden en leefden er als menschen, die een ton per jaar te verteren hadden . . . Dat leek me ... Ik houd van weelde, 't Was juist iets voor mij ; ik was trotsch op hem, hij op mij, we konden doen en laten wat we wenschten, mein Liebchen . . .

— En uw kapitaal was daar zeker mee gemoeid?

— Mijn kapitaal? Dat was zoo groot niet! U begrijpt dat ik

Sluiten