Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu zegt mijn lieve vriend Zelle dat ik het geld had opgemaakt. „Met ons geld voor het benoodigde papier voor MataHari's boek, had de man heel eenvoudig andere loopende rekeningen voldaan, en daar voor onze uitgave onmiddellijk onkosten moesten gemaakt worden en de heer Priem de hem toevertrouwde gelden niet meer bezat, moest hij wel den arbeid nederleggen."

I)e leugens, de vuile, gemeene leugens springen dadelijk tn 't oog. Gelukkig bestaat er nog een Wetboek van Strafrecht en luidt daarvan titel X\ I par. 2ti2: „Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt in geval het bewijs der waarheid van het te laste gelegde feit is toegelaten, wordt, indien hij dat bewijs niet levert en de telaste legging tegen beter weten is geschied als schuldig aan laster, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren."

En tegen beter toeten in lastert Zelle. De heer van Wielingen schreef hem de waarheid en niettegenstaande hij wist dat alles gereed was voor het boek en alles slechts afhing van m{jn wil, durft hij mij schaamteloos te belasteren.

Een aanklacht bij den Officier van Justitie heb ik dan ook ingediend en verwacht hier meer succes van dan Zelle van zijn terugvordering van f 150, waarvoor ik tot nog toe geen dagvaarding ontving.

7. In een geniepig en lafhartig schrijven aan Veldt, heb ik beweerd, dat ik zelfs geen sigaar in Velp had opgestoken, naar ik meende. De heer Feenstra in „De Telegraaf" had den spijker op den kop geslagen en gezegd dat ik naar Velp ging om „een liedje te chanteereu."

Ik heb, toen ik die uitdrukking las, mij afgevraagd: wat beteekent ze? Wanneer de heer Feenstra inderdaad daarmee bedoelde dat ik naar Velp ging om te zien of „daar wat dubbeltjes uit de zaak te kloppen waren", dan is de heer Feenstra een ploert eerste klas. Ik noodig den heer Feenstra hierbij uit openlijk te verklaren wat hij met zijn uitdrukking* bedoelde! Doet hij dit niet, dan houd ik hem voor een van die onbesuisde leeghoofden, die maar neerkwakken wat hun voor den mond komt, zonder te bedenken dat zij hiermede soms finantieel en moreel iemand ten hoogste kunnen benadeelen.

Waarom, Veldt, neem je ook niet in z'n geheel dat „geniepig en lat hartig schrijven op, dat ik je deed toekomen en

Sluiten