Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. De Zondvloed. Noacli en zijn zonen. l)e toren van Babel.

1. Toen Jahwe zag dat de boosheid der menschen op aarde groot was, verdelgde hij hen van den aardbodem door een grooten watervloed. Alleen Noach en de zijnen vonden gunst bij hem. Zij werden gespaard in een groot vaartuig, ark geheeten, waarin tevens van iedere diersoort een of meer paren behouden bleven. Gedurende honderd en vijftig dagen had het water de overhand op de aarde. Toen begon het aftenemen, erf weldra bleef de ark op het gebergte Ararat vastzitten. Een losgelaten duif, terugkeerend met een verseh olijfblad in den snavel, deed zien, hoe zeer het water reeds afgenomen was.

Toen men de ark verlaten had, werd een altaar gebouwd en een offer gebracht. Toen Jahwe nu dien lieflijken geur rook, zeide hij: Ik zal den aardbodem niet andermaal vervloeken wegens den mensch. Zie, ik plaats mijn regenboog in de wolken; die zal zijn tot een teeken des verbonds tnsschen mij en de aarde.

2. Noach begon den aardbodem te bearbeiden en plantte een wijngaard. Toen hij nu van den wijn dronk, werd hij dronken en viel in de tent neder. Zoo vond hem Cham, een zijner zonen, en vertelde het aan zijn broeders Sem en Jafeth. Maar dezen namen een mantel en bedekten daarmee hun vader. Ontwaakt uit zijn bedwelming, vernam Noach wat zijn jongste zoon hem aangedaan had, en zeide hij: Vervloekt zij Cham, een slaaf der slaven zij hij zijnen broederen. Maar Sein en Jafeth mogen gezegend zijn!

3. De geheele aarde had éene taal en dezeltde woorden. Toen zij nu uit het Oosten optrokken, vonden zij een vallei, alwaar zij zich vestigden. Zij zeiden tot elkander: Komt, laten wij tichels bereiden en ze tot steenen bakken. Zoo diende hun de tichel tot bouwsteen en het asplialt tot leem. Voorts zeiden zij: Komt, bouwen wij ons een stad met een toren, welks spits in den hemel reikt, waarmede wij ons naam

Sluiten