Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de tent staan. Fluks snelt de afgematte krijger er binnen. Jaël stelt hem gerust, laaft liera met melk en belooft hem, als er gevaar mocht dreigen, zijn aanwezigheid te verzwijgen. Sizera valt aanstonds in diepen slaap. Jaël, als zij dit ziet, trekt ijlings een der pennen, waaraan de tent bevestigd is, uit den grond, grijpt een hamer, sluipt op den slapende toe en drijft met kracht de pen hem door den slaap van het hoofd.

Dit trouweloos verraad nu werd door Debora bezongen in een krijgslied, waaruit de volgende regels genomen zijn:

Hoven alle vrouwen zij J a e 1 gezegend,

de vrouw van Hebei', ilen Keniet;

boven alle vrouwen in de teut gezegend!

Water vroeg hij; melk gaf zij:

in de proukschaal bracht zij rooui.

1 Jaar slaat zij hare hand aan de pen,

hare rechter aan den grooten hamer;

beukt Sizera, verbrijzelt hem het hoofd,

verplettert en splijt zijn slaap.

Gekromd viel hij voor hare voeten, daal' lag hij;

gekromd viel hij voor hare voeten neder;

waar hij zich kromde, daar lag hij misvormd.

l it het venster keek klagend naar buiten,

uit het lichtraam Sizera's moeder:

Wat laat toch de komst zijner strijdkar zich wachten,

wat blijft het rolleu zijner wagens lang uit!

l)e schranderste harcr edelvrouwen antVoorddeu;

ook deed zij zichzelve reeds bescheid:

Zouden zij niet buit vinden eu verdedenV . . .

Iloe dichterlijk ook van vorm, toch blijken ons uit het „Lied van Debora" de harde zeden van den tijd.

3. Een ander verhaal doet ons zien, hoe men in dien tijd — gelijk trouwens later nog wel — meende Jahwe met een merischenoifer te kunnen eeren.

Jefta trok ten strijde tegen de Ammonieten. En toen hij optrok legde hij deze belofte voor Jahwe af: Indien gij de Ammonieten in mijn hand geeft, dan zal de eerste die mij

é

Sluiten