Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16. Ruth.

1. Eens, in den tijd toen de richters liet land bestuurden, heerschte er een hongersnood. Oin die reden toog Elimelech, een man uit Bethlehem, met zijn huisvrouw Noömi en zijn beide zonen Mahlon en Kiljon, naar het Moabietische land. De zoons huwden Moabietische meisjes; de naain van de eene was Orpa, die van de andere Ruth. Al spoedig echter stierf Elimelech, en binnen tien jaren ook zijn beide zoons. Noömi, die alzoo alleen met haar beide schoondochters achterbleef, besloot naar haar vaderland terug te keeren. Orpa en Ruth beiden waren besloten de oude vrouw te vergezellen. Maar deze drong er op aan, dat zij in haar eigen land en omgeving blijven zouden. Eindelijk zag Orpa, ofschoon reeds een eind weegs meegereisd, van haar voornemen af. Maar liuth was daartoe niet te bewegen. Waarheen gij gaat — zoo zei ze —zal ik gaan; waar gij vernacht, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk; uw god mijn god; waar gij sterft, zal ik sterven en daar wil ik begraven worden.

Zoo reisden ze samen naar Bethlehem, waar men de oude vrouw nauwlijks meer herkende en telkens vroeg: Is dat Noömi?

2. Toen zij aankwamen, was het juist in den gersteoogst, en hield liuth zich weldra onledig met het oplezen van aren achter de maaiers op den akker. Toevallig kwam zij terecht op het land van Boaz, een rijken bloedverwant van Elimelech. Boaz kwam kort daarop zelf op het land, en liuth ziende, vroeg hij aan den opzichter der maaiers: Van wien is dit meisje? En de opzichter antwoordde: Zij is eene Moabietische, die met Noömi uit Moab gekomen is. Daarop sprak Boaz haar aan: Hoor eens, mijn dochter, ga niet heen om op een ander veld te lezen, maar voeg u bij mijne meisjes; loop maar achter haar aan. Aan mijn knechten heb ik verboden u aan te raken. En hebt gij dorst, ga dan naar het vaatwerk en drink van wat de jongens scheppen. En liuth boog zich ter aarde en zei: Waarmee heb ik zulk een gunst ver-

Verhalex O. T. 3e dr. 3

Sluiten