Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

saus en van ongezuurde brooden, diende ter herinnering aan de verlossing uit Egypte. Pinksteren werd in verband gebracht met de wetgeving op Sinaï. En op Loofhutten werd het verblijf in de woestijn herdacht. Op den eersten dag van elke maand vierde men het feest der nieuwe maan.

4. De Groote Verzoendag, gevierd op den tienden dag der zevende maand — in onze September- of Octobermaand vallende — was een algeraeene boetedag, waarop verzoening werd gezocht voor alle onwillekeurige zonden en herstel van alles wat verontreinigd was. Hij was de eenige dag van voor allen verplicht vasten. Onder vasten werd een volkomen onthouding van spijs en drank verstaan.

Aan dezen dag was een hoogst eigenaardige en omslachtige offerplechtigheid verbonden. De Hoogepriester begon met voor zichzelven een jong rund als zondeoffer te slachten. Met het oog op het volk werden twee bokken voorgebracht, tusschen welke het lot moest worden geworpen. Eén was voor Jahwe. De ander voor Azazel, waarschijnlijk een booze geest, een woestijngod. Van het jonge rund, dat geslacht was, werd het bloed voor een deel in het Heilige en Allerheiligste geplengd. Datzelfde geschiedde met het bloed van den bok, die bij het lot aan Jahwe toegewezen en inmiddels gedood 'was. Het gouden deksel van de ark werd met het bloed dier verzoening besprengd; wierookwolken omhulden daarbij den hoogepriester, die — onverzeld, en slechts op dien dag des jaars — het Allerheiligste binnentrad. Wederom in den voorhof gekomen, sprak de hoogepriester een belijdenis uit van alle zonden en overtredingen des volks. Hij' legde daarbij de handen op den kop van den anderen bok, aldus zinnebeeldig de zonden des volks op dit dier overdragend. Vandaar de uitdrukking: zondebok. Het met de zonden des volks beladen dier werd daarna weggevoerd naar de woestijn, waar Azazel geacht werd te wonen.

Sluiten