Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35. Het boek Job.

1. De profeten hadden steeds op den voorgrond gesteld, dat Jahwe onkreukbaar rechtvaardig is. Afval van Jahwe brengt zeker ellende; maar trouw aan zijn geboden wordt ook door zegen gevolgd. Dit hadden zij steeds het volk voorgehouden. Toen nu echter na de Ballingschap, terwijl Jahwe toch gediend werd, het volk nog steeds aan vernedering en rampspoed ten prooi bleef, rees bij velen de vraag: Is dat nu Jahwe's rechtvaardigheid? Men zag bovendien menigwerf, niet slechts in het volksbestaan, maar ook in het leven van de mensehen afzonderlijk, omstandigheden, die denzelfden twijfel deden rijzen. Boozen liep het dikwerf mee; vromen hadden met rampspoed te kampen.

Zulke overwegingen hebben een dichter, die geruimen tijd na de Ballingschap leefde, er toe geleid het vraagstuk van 's menschen lotsbedeeling ernstig onder de oogen te zien. Hij doet dat in een verdicht verhaal, waarvan een vrome, die in bitter lijden geraakt, de hoofdpersoon uitmaakt. Wij bedoelen het boek Job.

2. Er was eens in het land U z, verhaalt hij, een herdersvorst, rijk aan vee en slaven. Job was zijn naam. Hij was rechtvaardig en vroom, meer dan iemand anders. Op zekeren dag nu, dat alle engelen in den hemel samengekomen waren voor Jahwe's aangezicht, en daaronder ook Satan — de engel, die rondgaat op aarde om de zonden der menschen op te merken en bij Jahwe aan te brengen — sprak Jahwe tot .Satan: Hebt gij ook wel gelet op mijn knecht Job? Die is toch vroom en zonder zonde. Maar Satan antwoordde: Hij doet het ook waarlijk niet voor niet. Onttrek hem uw zegen eens, en gij zult zien, hoe spoedig hij u verlaten zal. En Jahwe gaf Satan verlof om Job op de proef te stellen.

Toen verloor Job op éen dag al wat hij bezat. Achtereenvolgens kwamen boden met de schrikmare, dat zijn kaïneelen, met de slaven, die ze bewaakten, door roovers waren weggevoerd; desgelijks zijn runderen; eindelijk dat onder zijn

Verhalen o. T. 3e dr.

.

Sluiten