Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vrienden vermanen Job zich voor Jahwe te verootmoedigen en boete te doen voor zijn zonden. Hoe langer hoe duidelijker geven zij te kennen, dat zij Job verdenken in het geheim grove zonden bedreven te hebben, daar immers van ouds geleerd is, dat Jahwe steeds rechtvaardig handelt met den mensch. Daartegenover handhaaft Job met kracht de betuiging zijner onschuld, en verwerpt op hartstochtelijken toon het overgeleverd geloof aangaande de rechtvaardigheid van Jahwe. Hij eindigt met den wensch, dat Jahwe zelf mocht komen om hem te woord te staan en hem te verklaren , waarom hij aldus met hem, den schuldelooze, handelt. En deze wensch wordt vervuld, Uit een storm antwoordt Jahwe op Jobs opeisching. Maar .... om hem

met eene verwijzing naar de wonderen der schepping — te vragen, wie hij is — hij, kleine mensch — om tegenover den Almachtige te spreken van recht? En dan buigt Job het hoofd en erkent, dat hij sprak in onverstand. Hij kan niet anders dan zwijgen tegenover den grooten God. Als Job zich zoo verootmoedigd heeft, ontvangt hij ten slotte een lofspraak van Jahwe. Tot de vrienden wendt Jahwe zich met de bestraffing: (Tij hebt niet oprecht van mij gesproken, gelijk mijn dienaar Job.

4. Aan het slot van het laatste hoofdstuk wordt, met enkele woorden, het verhaal weer opgevat. Het eindigt met het herstel van Job in zijn vroegeren gelukstaat. Jahwe wendde het lot van Job en gaf hem het dubbele van wat hij vroeger bezeten had. Ook kreeg hij wederom zeven zoons en drie dochters. En Job leetde, besluit de schrijver, nog honderdveertig jaren.

,3*

Sluiten