Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet sterk op den voorgrond getreden. Een treurige vermaardheid verwierf zich Judas Iskariot, omdat hij van Jezus nfviel en hem verraadde. Gez. 36 : 1.

7. De prediking van het Godsrijk.

Als Jezus „de blijde boodschap" verkondigde van een Godsrijk, dat aanstaande was, dan getuigde hij van zijn geloof in de komst van een rijk van liefde, vrede en gerechtigheid. Het zou een rijk zijn, waarin Gods wil door allen geëerbiedigd werd en Gods heilige geest allen bezielde. Kik zou zich gelukkig voelen onder de heerschappij van den Hemelschen Vader. Daarom werd het ook wel liet koninkrijk der Hemelen geheeten.

Geen rijk zou het wezen, gebonden aan aardsche grenzen. Op geen wereldkaart zou het zijn aan te wijzen. Een echt g e e s t e 1 ij k gebied zou het zijn. Alle vromen, waar zij ook wonen, zijn er de burgers van. Daarom zei Jezus: „Het komt niet op zichtbare wijze en men zal niet zeggen: zie hier of zie daar! want het koninkrijk Gods is onder u."

Wij begrijpen dan ook, dat dit Godsrijk, gelijk Jez u s het bedoelde, niet was een tijdperk van staatkundige vrijheid, niet een verlossing uit de macht der Romeinen, zooals zijn tijdgenooten verwachtten. Alle denkbeeld aan een hereeniging van de oude koninkrijken Israël en Juda onder een eigen vorst bleef uitgesloten. Een Messias in den joodschen zin heeft Jezus niet willen zijn. Hij vleide zijne hoorders niet met het uitzicht op aardsche grootheid en macht. „Mijn koninkrijk is niet van déze wereld", luidde het in Jezus' mond.

Dezen geestelijken heilsstaat nader te brengen is 's menschen plicht en de voorwaarde voor zijn geluk. „Zoek eerst het koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid en nlle andere dingen zullen u worden toegeworpen."

Jezus heeft heerlijke gedachten en voortreffelijke waarheden

Sluiten