Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die oppertollenaar was, en als een rijk man bekend stond. Deze begeerde Jezus te zien, maar liet was hem niet mogelijk van wege het volk, omdat hij klein van persoon was. Daarom liep hij vooruit, en klom op een wilden vijgeboom, om hem te zien; want hij zou daar langs komen. Toen Jezus nu aan die plaats gekomen was, en opkeek, zag hij Zacheüs en zeide tot hem: „Zacheüs, kom schielijk af, want ik wil heden in uw huis mijn verblijf nemen". En hij kwam aanstonds naar beneden en ontving Jezus met blijdschap. Allen, die het zagen, morden en zeiden: „Hij is bij een zondig man zijn intrek gaan nemen!" Doch Zacheüs zeide tot Jezus: „Zie, de helft mijner goederen, Heer! geef ik aan de armen, en indien ik iemand iets te veel heb afgenomen, zoo geef ik het viervoudig weder". Toen zeide Jezus: „Heden is dezen huize heil wedervaren, vermits ook hij een zoon van Abraham is; want de Zoon des menschen is gekomen 0111 te zoeken en te behouden wat verloren is".

In de evangeliën wordt vaak in éenen adem gesproken van „tollenaars en zondaars". Men heeft dan onder: zondaars te verstaan niet eenvoudig, naar de gewone beteekenis, allen die zonde doen, maar eene bepaalde klasse van menschen; namelijk hen, die om eenig vergrijp tegen de godsdienstige voorschriften of tegen de zedewet uit de synagoge waren gebannen. De tollenaars en de „zondaars" — die gelijkelijk in de openbare minachting deelden — sloten zich in den omgang allicht aan elkaar aan. Vandaar dat zij aldus in een uitdrukking worden saanigevat.

Gez. 207 : 5.

41. Tempel en priesters.

Oudtijds stond op eiken heuveltop in Israël een altaar. Onder het eerwaardig geboomte waren de heilige plaatsen vele. Koning Salomo stichtte — ongeveer 975 v. C. — voorden eeredienst een tempel te Jeruzalem. Door den Babylonischen koning Nebukadrezar werd hij verwoest (586 v. C.),

Sluiten