Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Achter deze ontzaglijke offerplaats, dieper den hof der priesters in, verrees het eigenlijk tempelgebouw. Alleen aan de priesters was het geoorloofd hier binnen te gaan. Een ruime hal gaf den toegang. Eerst tot het „Heilige , waar de zevenarmige kandelaar, het reuk offeraltaar en de tafel der toonbrooden prijkten, alles van goud. En eindelijk tot het „Heilige der heiligen": een veel kleiner vertrek, geheel voor het daglicht afgesloten. Oudtijds bevond zich hier de Verbondsark: het heiligdom, waarin de Wet van Mozes geacht werd te berusten. In Jezus' dagen echter was het „Heilige der heiligen' geheel ledig. Niemand mocht er binnentreden. Slechts eenmaal 'sjaars, op den Grooten Verzoendag, kwam er de hoogepriester om eenige droppelen bloed te sprenkelen op het deksel der Verbondsark. In dit stille, verborgen oord, te raidden van zijn volk, dacht men zich God.

De dienst werd verricht door Priesters — in rangen verdeeld, met den Hoogepriester aan het hoofd — èn door Levieten. Beider aantal liep in de duizenden. Zoowel de eenen als de anderen waren in 24 „beurten ingedeeld, die elk voor een week den dienst waarnamen. Aan de Levieten waren de mindere werkzaamheden en de tempelmuziek opgedragen. De candidaat voor het priesterambt moest zijn erfelijke rechten bewijzen.

De voornaamste der dienstdoende priesters ontstak des morgens het reukoffer. Daarna werd het groote morgenoffer opgedragen. Aan het slot van den dag een avondoffer. Naast dit zoogenaamde brandoffer vulden vele bijzondere, zooals dank-, schuld- en reinigingsoffers, den dienst aan. Afgevaardigden des volks, bekend als „Staande mannen" eveneens in weekbeurten verdeeld, woonden den dienst bij.

Op Sabbat en op de feestdagen was de dienst uitgebreider. Vooral op het Paaschfeest, als talrijke scharen, niet alleen uit Palestina, maar uit alle oorden der wereld waar de Joden zich gevestigd hadden, naar Jeruzalem kwamen. Dan waren de berghellingen bedekt met de tenten der kara-

Sluiten