Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewaard". De oude vorm, wil hij zeggen, zou soms geheel den godsdienst kunnen in gevaar brengen. Gez. 203 : 6.

17. De Heidenen.

Als wij in de verhalen van het Nieuwe Testament hooien spreken van heidenen, dan moeten wij niet denken aan wilde of onbeschaafde volken, maar eenvoudig aan alle nietJoodse he volken. Voornamelijk heeft inen daaronder te verstaan de Grieken, die door hun veroveringstochten naar Azië in de laatste eeuwen vóór onze jaartelling hun taal en zeden aan de landstreken rondom Palestina hadden medegedeeld. Ook het Joodsche volk had onder den druk dier veroveringen gezucht, doch zich weer vrij gevochten in den Makkabeeschen oorlog. Niettemin hadden de Joden zich niet kunnen onttrekken aan dezen griekschen invloed, die in menig opzicht een meer beschaafde was. Overal in den lande vond men die zoogenaamde heidensche beroepen of bedrijven, instellingen, kleederdrachten, enz. Er waren vele menschen van niet-Joodschen bloede in het land komen wonen, die hun eigen taal en godsdienst behielden. Vooral op de grenzen des lands telden sommige steden en dorpen vaak een aanzienlijke niet-Joodsche bevolking onder hun inwoners.

Onder de Joden-zelveu voelden enkele kringen zich wel tot de vreemde zeden aangetrokken. Maar sedert de Romeinen het land veroverd hadden, was de verwijdering weer grooter geworden. En de strenge Joden trachtten elke aanraking met wat heidensch was te vermijden; men achtte zelfs, gelijk wij in de voorgaande les zagen, door den omgang met hen of met iets wat van hen afkomstig was, zich verontreinigd. En de oude joodsche volkstrots rekende zich ver boven hen verheven; zij waren geene kinderen van God en konden in het Godsrijk niet komen.

Dien volkstrots heeft Jezus streng bestraft. Hij achtte alle volkeren voor bet Godsrijk bestemd. Toen men hem eens

Sluiten