Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet meer waard uw zoon genoemd te worden; maak mij als een van uw huurlingen. En hij stond op en ging tot zijn vader.

Terwijl hij nog veraf was, zag deze hem reeds en werd innerlijk bewogen en liep hem te gemoet, viel hem om den hals en kuste hem. En de zoon sprak tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heeten. Maar de vader beval zijn knechten: Haalt schielijk het beste kleed en trek het hem aan, geeft hem een ring aan zijn hand en schoenen aan zijn voeten; en brengt het gemeste kalf en slacht het, en laat ons eten en vroolijk zijn. Want deze mijn zoon was dood en is herleefd: hij was verloren en is wedergevonden. En zij begonnen vroolijk te zijn.

Maar de oudste zoon was op het veld: en toen hij naar huis kwam en muziek en dans hoorde, riep hij een der knechten tot zich en vroeg hem, wat dat was. Deze antwoordde hem: Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond heeft teruggekregen. Toen werd hij toornig en wilde niet naar binnen gaan. Zijn vader ging nu naar buiten en bad hein. Doch hij wilde er niet van weten en voerde zijn vader te gemoet: Zie, ik dien 11 nu zoovele jaren en nooit heb ik liet gebod van 11 overtreden, en mij hebt gij nimmer een bokje gegeven, opdat ik met mijn vrienden vroolijk mocht zijn. Maar nu deze zoon van u is teruggekomen, die uw goed op schandelijke wijs heeft doorgebracht, hebt gij voor hem wel het gemeste kalf geslacht. Daarop hernam zijn vader: Kind! gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is het uwe. Doch men moest wel blijde en vroolijk zijn; want deze uw broeder was dood en is herleefd; hij was verloren en is wedergevonden.

Gez. 19G : 3.

Sluiten