Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden."' En als hij den beker inschonk, die zou rondgaan, voegde hij daaraan toe: „Zóo zal ook mijn bloed vloeien." Hij nam afscheid van zijn vrienden en bad hen, hem niet te vergeten, maar op een volgend feest ditzelfde te doen tot zijn gedachtenis. Toen het paasclnnaal met een lofzang besloten was, werd het hem binnen te eng. Men stond op en verliet de zaal.

Buiten gekomen, werd, als gewoonlijk, de weg naar den Olijfberg ingeslagen. Tegen de helling van den berg lag een tuin of landhoeve, Gethsémané (de Olijvenhof) gcheeten, waar Jezus meermalen met zijne jongeren had vertoefd. Daar wilde hij nogmaals in de stilte van den nacht uitrusten en zich versterken in bet gebed. Hij liet de overige leerlingen aan den ingang, maar nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mede. En dieper in den hof gekomen, werd hij zeer ontroerd en beangst en zei tot hen: „Mijne ziel is diep bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt met mij!" En zich afgezonderd hebbende, tot driemalen toe, bad hij telkens: „Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van inij voorbijgaan! Doch niet mijn wil, maar Uw wil geschiede!"

Na zijne eerste afzondering vond hij zijn leerlingen slapende en zei tot hen met zacht verwijt: „Kunt gij dan niet één uur met mij waken? Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt. De geest is gewillig, maar het vleesch is zwak." Maallater, hen wederom ingesluimerd vindende, zei hij tot hen: „Slaapt nu voort en rust, het is genoeg! De ure is gekomen, dat de Zoon des mensehen wordt overgeleverd in de handen der zondaren". Want hij hoorde een troep gewapenden naderen en zag eensklaps Judas, aan het hoofd eener bende dienaars van het Sanhedrin. Judas trad op Jezus toe, als om hem te omhelzen. Maar deze stiet hem van zich af met den uitroep: „Judas! verraadt gij den Zoon des menschen met een kus?"

Jezus weigerde elke verdediging en liet zich gevankelijk wegvoeren. Op dit gezicht stoven zijne leerlingen verbijsterd uiteen. Alleen Petrus volgde op een afstand.

Gez. 79 : 5.

Sluiten